Duitsers in Suriname

Onderstaande tekst komt uit een lezing die Carl Haarnack in februari 2011, heeft gegeven in de bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor de Tropen.


Suriname kwam bij de Vrede van Breda in 1667 in Nederlandse handen. Tot die tijd waren het afwisselend Fransen, Engelsen en Nederlanders die er de dienst uitmaakten. Behalve het aantrekken van voldoende arbeidskrachten (hoofdzakelijk slaven uit Afrika) was het aantrekken van voldoende Europese kolonisten een grote uitdaging. Aan het eind van de 18de eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Van deze Europeanen was een aanzienlijk deel van Duitse komaf. Logisch dat deze Duitsers door de eeuwen heen hun stempel op Suriname hebben gedrukt. Wat deden zij in Suriname? Hoe kwamen de Duitsers in Suriname terecht? Vanaf de eerste kolonisatie-pogingen van Suriname in de 17e eeuw was er sprake van intensief verkeer van personen tussen Duitsland en Suriname. De Duitsers vormden, na de Nederlanders, de grootste groep Europeanen in Suriname. Toch werd er niet eerder systematische onderzoek gedaan naar de Duitsers als afzonderlijke groep in Suriname. Dat is misschien ook niet zo gek. Overal, behalve in Suriname, waar ik sprak over de rol van de Duitsers in Suriname, werd gefronst en keken mensen mij vol ongeloof aan: Duitsers in Suriname? Wat deden zij daar dan? Of, allereerst, hoe kwamen zij in Suriname terecht?de Duitse migratie naar Suriname gezien moet worden als een voortvloeisel van de trek van Duitsers naar Holland. En die trek van Duitsers naar de Nederlanden was gedurende de afgelopen vier eeuwen zeer constant. Dat begon al tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648); enorme aantallen Duitsers werden door hongersnood, oorlogen en de pest die Midden-Europa teisterden naar Nederland gedreven. Van de bruiden en bruidegommen die tussen 1600 en 1800 in Amsterdam in ondertrouw gingen was bijna 20% afkomstig uit Duitsland. Rond 1750 trokken naar schatting 33.000 werkzoekende Duitsers naar Nederland.

Over de vraag hoeveel Duitsers er in de loop der eeuwen richting Suriname zijn vertrokken kunnen we vooralsnog alleen speculeren. Maar als we even kijken naar de Verenigde Oost-indische Compagnie (VOC) krijgen we een indruk van de verhoudingen. Tussen 1602 en 1795 vertrokken één miljoen mensen in dienst van de VOC naar Azië. Daarvan was de helft buitenlander, verreweg het grootste deel daarvan was Duitser.
Als we deze getallen nu rechtstreeks zouden toepassen op Suriname dan zou dat het volgende betekenen. Aan het eind van de 18e eeuw telde de kolonie zo’n 50.000 inwoners waarvan er slechts 3000 tot de blanke Europese bevolking konden worden gerekend. Naar schatting ca. 1000 van deze groep zouden dan bestaan uit Duitsers.

Hernhutter missie in Suriname
Vaak denkt men als het gaat om Duitse invloeden in Suriname aan de zendelingen, met name de herrnhutters; de Evangelische Broedergemeente (EBG). Maar de groep Duitsers in Suriname bestond behalve uit missionarissen ook uit kooplieden, plantage-bezitters, plantage-directeuren, plantage-administrateurs, artsen & chirurgijns, wetenschappers, handwerklieden, en soldaten. Vooral heel veel soldaten. Tenslotte was er ook een aanzienlijke groep Hoog-duitse Joden in de kolonie.

Conclusie
Degenen die wel eens de archieven zijn ingedoken op zoek naar misschien een stukje familiegeschiedenis weten dat deze vol zitten met Duitsers. Alleen al in de borderellen die gemaakt zijn ten tijde van de afschaffing van de slavernij 1863, vinden we honderden Duitse familienamen. Vele van deze namen komen we vandaag de dag nog steeds tegen in Suriname. Ik hoop dat ik u er toe zal aanzetten telkens wanneer u in Suriname bent en u mensen tegen het lijft loopt die Beck, Behr, Bender, Cordua, Duttenhofer, Heilbron, Karg, Krieger, Kuhn, Stuger, Telting of Weissenbruch heten, aan dit Duitse verleden zult denken. Realiseert u zich dan wel dat veel exotisch uitziende namen zoals we bij Nemelc zagen omkeringen kunnen zijn van goede Duitse familienamen. Namen als Weiss verbasterd kunnen zijn tot Wois. Maar belangrijk hierbij is dat zowel bij de afschaffing van de slavernij 1863 als bij manumissies die hiervoor plaatsvonden, slaven ook soms zonder reden Duitse familienamen meekregen. Heidelberg, Herrenberg , Horb, Muringen, Neus, Scheuer, Seedorf, Stutgart, Weimar en Wiesbade zijn weliswaar Duitse steden. In 1863 werden dit voor veel Surinamers familienamen. Zonder dat er sprake was van een Duitse link.
Duitsers hebben grote invloed gehad op de Surinaamse taal en cultuur. Een bioscoop is in het Sranan Tongo een KINO. En het Surinaamse bossi is echt afgeleid van het ‘Bussi’. En als Surinamers feesten tot BAM dan bedoelt men dat het duurt tot Bis Am Morgen. Maar dit zou al een hele studie op zich zijn. Het onderwijs in Suriname kwam in de 19e eeuw bijna volledig voor rekening van de Duitse missionarissen. De grootste kerkelijke stroming, de Evangelische Broedergemeente (EBG) is voortgekomen uit de Hernnhutterzending. Dat is een belangrijkste verdienste van de Duitse missionarissen.
Als ik voorzichtig zou moeten speculeren welke mogelijke conclusies getrokken kunnen worden op basis van het materiaal dat ik tot nog toe heb gezien dan zou ik graag de volgende noemen :
1) De meeste Duitsers die naar Suriname kwamen waren soldaten. Althans, ze werden er soldaat. Onder deze soldaten zaten niet alleen laagopgeleide armoedzaaiers. Velen hadden een opleiding genoten ; vaak een ambacht en konden dus lezen en schrijven. Maar ook aan lager wal geraakte kooplieden konden zich door schulden of problemen in hun omgeving gedwongen zien de gok van de oversteek te wagen. Ze kwamen uit alle delen van Duitsland ; de havensteden in het noorden, maar ook vaak uit Württemberg en Beieren.
2) De Duitsers die over hun ervaringen schreven en publiceerden hadden niet zozeer literaire-, politieke- or religieuze motieven voor hun publicatie. Centraal stond het verslag doen van een vreemde nieuwe wereld. Met onbekende flora en fauna en vooral de exotische wereld van Indianen en de Afrikaanse slaven. Juist het autobiografische reisverslag, het verhaal van een ooggetuige, van deze doorgaans nog weinig bekende Duitse publicaties zijn voor ons waardevol. Zij geven soms een nieuwe inzichten in de slavensamenleving in Suriname.
3) Motieven voor vertrek uit Duitsland moeten deels gezocht worden in de situatie in Duitsland (oorlog, armoede, werkloosheid). Juist Nederland beleefde in de 17e– en 18e eeuw een sterke economische ontwikkeling door dankzij de kolonieën en had behoefte aan arbeidskrachten en soldaten. Meerdere Duitsers gaven aan dat of men uiteindelijk Oost- of West-Indië ging min of meer toeval was. Duidelijk lijkt dat het vergaren van fortuin een groot motief was. Tot aan het begin van de 19e eeuw bestond in elk geval het beeld dat men door hard werken snel kon opklimmen. In het laatste kwart van de 18e eeuw begint dit beeld te veranderen.
4) Onze traditionele opvattingen over de slavernij dienen juist door deze Duitse bronnen te worden bijgesteld. De bronnen dwingen een zeker gelaagdheid in die slavenmaatschappij te ontdekken. Suriname kenmerkt zich door de vroege vermenging van Europeanen en Afrikanen in slavernij. Duitsers vormden hier geen uitzondering in. Opvallend is dat er grote fascinatie was voor het vrouwelijk schoon onder de slavinnen. De meeste migranten kwamen zonder gezin naar Suriname. Ze kregen kinderen met slavinnen. Uit de verslagen maar ook vele manumissies onder Duitsers blijkt dat het beeld dat deze ‘relaties’ uitsluitend gebaseerd waren op meester/slavin verhoudingen niet klopt. Een aantal Duitsers nam bij terugkeer slaven mee. Soms waren dit eigen kinderen. Een aantal nam ook hun gekleurde echtgenote mee naar Duitsland.
Zoals ik zojuist al aangaf is de charme van deze ooggetuigeverslagen juist dat ze zo verschillend van de ‘academische’ studies over de geschiedenis van Suriname of literaire publicaties. Hele vuistdikke boeken zijn er over Suriname geschreven op basis van louter archiefmateriaal. Vaak door mensen die nooit een voet op Surinaamse bodem hebben gezet. In te veel boeken wordt op creatieve wijze gepikt van het werk van voorgangers. Juist onze ‘ooggetuigen’ vertellen ons verhalen die niet in de archieven terug te vinden zijn en die je ook niet zou verzinnen
Met dit verhaal heb ik alleen een poging gedaan een beeld te schetsen van een rijke geschiedenis van Duitsers in de Kolonie Suriname. Een geschiedenis waar nog heel veel onderzoek naar dient te geschieden. Het inventariseren van gepubliceerde reisverslagen, autobiografieën, dagboeken en brieven gaat nog door.

Carl Haarnack